Een werkgever die een bepaalde haardracht verbiedt, kan in strijd met de Grondwet handelen.
Een politieagent die was ingeroosterd in de buitendienst, moest van zijn leidinggevende werkzaamheden in de binnendienst verrichten. De reden ervan was dat zijn kapsel (hanenkam) hem een autonome of rechts-extremistische uitstraling zou geven. De man voelde zich gegriefd en vond dat de opdracht een inbreuk maakte op zijn grondrechten. Hoewel hij inmiddels niet meer bij de politie werkzaam was, tekende hij om principiƫle redenen beroep aan.
De Centrale Raad van Beroep is het met hem eens dat de opdracht om vanwege zijn haardracht binnendienst te verrichten raakt aan de persoonlijke levenssfeer en de onaantastbaarheid van het lichaam, zoals bedoeld in de Grondwet en het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Zijn keuze om zich door middel van zijn uiterlijk en haardracht te onderscheiden, is voor hem van wezenlijk belang. Deze zaak ligt anders dan die waarover de Raad in 2005 moest oordelen, waarbij het ging om een politieagent met een wenkbrauwpiercing. In tegenstelling tot een haardracht kan een piercing eenvoudig worden aangebracht en verwijderd. De opdracht om een piercing te verwijderen heeft daarom alleen gevolgen voor de diensttijd, terwijl het aanpassen van een kapsel uit de aard der zaak ook geldt buiten werktijd. Met de betreffende opdracht werden zijn grondrechten dan ook beperkt. Bovendien blijkt uit de foto's dat de (resterende) haardos van zeer beperkte lengte was. Zijn uiterlijke verschijning was dan ook niet zodanig in strijd met de eisen van representativiteit en professionaliteit dat een inbreuk op zijn grondrechten mocht worden gemaakt.
Centrale Raad van Beroep, 24 december 2009, LJN: BK8782.