Onder p&o'ers is het Poortwachtercentrum het bekendste West-Friese exportproduct. Het netwerk van ondernemers die elkaar helpen met personele vraagstukken is zo succesvol, dat de overheid graag drie miljoen euro bijdraagt om heel Nederland mee te laten profiteren. Wat is hun geheim?
In 2002 haalde de regering met de Wet verbetering poortwachter de teugels aan. Werkgevers dragen zelf veel meer verantwoordelijkheid en dus financieel risico voor mensen die ziek worden of voor een deel arbeidsongeschikt raken. Wie zijn huiswerk in de eerste twee jaar niet doet, kan vervolgens niet zomaar het dossier overdragen aan het UWV. Integendeel, de werkgever draait op voor het doorbetalen van loon en krijgt mogelijk zelfs een forse boete.
Maar lang niet elke werkgever weet hoe hij dat huiswerk moet maken. Arthur Helling, projectleider en medeoprichter van het allereerste Poortwachtercentrum, kwam als toenmalig wethouder Sociale- en Economische Zaken in Hoorn genoeg wanhopige ondernemers tegen. 'In de Westfriese Bedrijvengroep zat ook een ondernemer met een dossier dat heen en weer ging naar het UWV, omdat daar fouten inzaten. Waar doen we dit nu allemaal voor, zei hij, want ik heb het idee dat deze persoon zo bij een ander aan de slag zou kunnen, alleen niet bij mij. Kunnen we dat niet onderling met elkaar oplossen, dan laten we die papierwinkel achter ons? Dat was in 2003 eigenlijk de aanleiding voor het ontstaan van het Poortwachtercentrum. We waren geen materiedeskundigen, dus ga je jezelf een beetje in die problematiek inlezen, je gaat eens praten, en zo zijn we van start gegaan.'
Vraaggericht
Het geheim van het Poortwachtercentrum is, volgens Helling, dat het altijd uitgaat van de vraag van de ondernemer. 'Op het moment dat andere partijen aanschuiven, of dat nou commerciële partijen zijn of de overheid, komen er ook andere belangen in het spel. Wij hebben steeds gezegd: Dit is problematiek die aan de kant van de bedrijven zit, en de oplossing moet ook aangestuurd worden door de bedrijven. Daardoor weet je zeker dat de juiste dingen voldoende aandacht krijgen. Wat je nog weleens bij de commerciële dienstverleners ziet, is dat ze mensen eerst even bij een bedrijf plaatsen om ervaring op te doen. Wij gaan een nieuw bedrijf pas confronteren met iemand als hij daar echt helemaal klaar voor is. Dus als hij opgeleid en gemotiveerd is. Natuurlijk moet er altijd nog wel wat met iemand gebeuren als onderdeel van het traject, maar als wij iemand plaatsen, weten we eigenlijk al dat het gaat slagen. Al het voorwerk is al gedaan, juist ook om dat nieuwe bedrijf niet te belasten met allerlei ruis.'
De Stichting Poortwachtercentrum in Heerhugowaard telt twee mensen die de uitvoerende taken doen: een secretaresse en een consulent. Die laatste is feitelijk de poortwachter. Hij praat met de oude en de nieuwe werkgever en met de werknemer, en bekijkt zo wat nodig is om iemand op een nieuwe plek aan het werk te krijgen. Dat kan een opleiding zijn, of eerst een beroepskeuzetest. 'Vaak halen we mensen uit een heel andere werkkring dan waar ze naartoe gaan. En dan blijkt dat ze bepaalde ervaringen meenemen die bij het nieuwe bedrijf van toegevoegde waarde zijn. Bijvoorbeeld een timmerman uit de bouw wiens kennis heel bruikbaar kan zijn in een bouwmarkt, waar klanten moeten worden geadviseerd bij de aanschaf van materialen. Het oog van de vakman verliest hij niet. Alleen zet hij het op een andere manier in. Maar je hebt ook het voorbeeld van een bouwvakker die je in de zorg plaatst. Die voldoet natuurlijk niet aan het prototype van de zorgverlener. Maar toch blijkt dat in een groep verstandelijke gehandicapten zijn manier van aanpakken aanslaat.'
Ingrijpend
Van bouwvakker tot zorgverlener. Helling en zijn collega's schuwen rigoureuze stappen niet. 'Ja, als je het op afstand bekijkt, dan denk je dat dat heel ingrijpend is. Maar mensen hebben vaak talenten die nooit aan de orde kwamen. Als je die aanboort, kan dat een enorme nieuwe drive en motivatie betekenen. We zijn allemaal gewend om te denken dat iemand iets niet kan omdat hij het nooit gedaan heeft. Vaak is het probleem dat iemand zelf de knop moet omzetten. Als je dertig jaar lang hetzelfde vak hebt uitgeoefend, en dat kan niet meer, dan kost dat tijd om dat te accepteren. En dat is ook de rol van zo'n consulent, om dat proces te kantelen en al het werk te doen wat nodig is om mensen een andere stap te laten zetten.'
En mensen zetten die stap inderdaad, constateert Helling. 'In 4 jaar tijd hebben we bijna 900 mensen van werk naar werk begeleid. Daarvan is 60 procent spoor 1, dus binnen het eigen bedrijf. Kleine werkgevers weten vaak niet dat er allerlei subsidies te krijgen zijn voor aanpassingen aan de werkplek. Maar de wet zegt dat je niet zomaar een spoor 2 in mag zetten. Je moet eerst van alles in het eigen bedrijf gedaan hebben. Grote bedrijven hebben die expertise zelf in huis. Dus als zij er niet uitkomen, dan is het ook echt een spoor 2-geval. Bij een bouwvakker met versleten knieën moet je naar buiten kijken. Je kunt die mensen niet massaal op de administratie plaatsen. Dat is ongeveer 20 tot 30 procent van onze matches.'
Kennisbank
De overige gevallen eindigen toch met een of andere vorm van uitkering. Maar ook dan staat het Poortwachtercentrum volgens Helling niet met lege handen. 'Wat we ook nog weleens zien, zijn bijvoorbeeld oudere werknemers die nog voor 30 procent zijn goedgekeurd. Dan gaan we met het UWV praten en proberen zo iemand een zachte landing te geven. In die vier jaar tijd hebben we goede contacten opgebouwd bij het UWV en het CWI. Ze weten hoe wij werken. Ik wil niet zeggen dat ze onze raad blindelings overnemen, maar ze weten wel dat het gebaseerd is op vier jaar expertise, en dan kom je meestal wel in gesprek. Een bedrijf kennen ze vaak helemaal niet, of ze denken dat een ondernemer makkelijk van zijn zaakje af wil.'
Om ervoor te zorgen dat bedrijfsleven en uitkeringsinstanties elkaar niet als natuurlijke vijanden zien, nodigt het Poortwachtercentrum het CWI en UWV zoveel mogelijk uit voor de periodieke overleggen met de p&o'ers van de wat grotere bedrijven. 'Dat is onze kennisbank. Het CWI en UWV brengen hun kennis in, en tegelijk kunnen de bedrijven hun ervaringen één op één neerleggen bij de vertegenwoordigers van die publieke instanties.'
Laagdrempelig
Als echte ondernemers hebben de initiatiefnemers van het Poortwachtercentrum een afkeer van bureaucratie. De belangrijkste raad die Helling te bieden heeft, is dan ook: hou het simpel. 'Dat betekent dat het uitvoeringsmodel zo plat mogelijk wordt gehouden. Het begint vaak heel laagdrempelig. Een werkgever kan ons gewoon bellen. Het eerste wat we doen, is gewoon zijn verhaal aanhoren, en dan beginnen we met een eerste gesprek. Dat is in principe altijd gratis. En soms blijft het ook bij dat gesprek, wil zo'n ondernemer alleen even weten wat hij nou allemaal moet doen: Zijn er subsidies? Hoe schrijf ik een plan van aanpak? Maar het kan ook zijn dat hij meer hulp nodig heeft, en dan ga je meer de dienstverlening in. Dat zal op een gegeven moment wat gaan kosten. Men betaalt een bedrag per geslaagde transactie.'
Hoe de gesprekken gevoerd worden, hangt af van degene die een vraag neerlegt, constateert Helling. 'Als je met p&o'ers om de tafel zit, krijg je heel andere discussies dan wanneer je met een directeur-eigenaar aan tafel zit. Want die heeft die specifieke vakkennis niet, maar weet wel hoe hij een bedrijf moet leiden en hoe hij naar personele vraagstukken kijkt. Wat wij steeds meer zien, is dat een p&o'er in een bedrijf veel meer over dat vaktechnische gebied van het personeelsvraagstuk praat met de baas. Want de baas heeft vaak een enorm netwerk dat heel goed gebruikt kan worden voor bepaalde oplossingen. Maar die twee communiceren nauwelijks. Want de baas denkt: Oh personeel, dat is ingewikkeld en lastig, daar heb ik gelukkig iemand voor, dus dat is geborgd. Terwijl wij hebben aangetoond dat als je die kennis deelt, je soms tot heel nieuwe oplossingen komt. En daarom proberen we ook discussies binnen bedrijven op gang te brengen.'
Vreemdgaan
In tegenstelling tot de meeste commerciële bureaus, moedigt het Poortwachtercentrum haar leden aan om 'vreemd te gaan'. Bijvoorbeeld de ene ondernemer die de ander de valkuilen van een ingewikkelde fusie laat zien, en dat buiten het Poortwachtercentrum om. Helling: 'Dat zijn ondernemers die normaal gesproken niet met elkaar zouden praten, omdat ze in een heel andere branche zitten. Alles wat er al in de regio is, verbinden wij steeds meer met elkaar.'
Nu er steeds meer Poortwachtercentra bij komen, wordt duidelijk dat de ene regio de ander niet is. Waar West-Friesland veel kleine familiebedrijven telt, zijn er in bijvoorbeeld de Haarlemmermeer veel meer grote internationale bedrijven gevestigd. Zij hebben allemaal een eigen p&o-afdeling met de nodige vakkennis. 'Het centrum daar werkt daarom op een andere manier. Zij hebben geen eigen consulent die de mkb'er vanaf de eerste vraag op sleeptouw kan nemen. Zij organiseren periodiek matchingbijeenkomsten waar vooral p&o'ers komen. Eigenlijk is het een soort marktplaats waar vacatures worden ingebracht en gematcht met mensen die boventallig zijn of niet langer op een bepaalde functie gehandhaafd kunnen worden. Dat is echt voor grote bedrijven. Een mkb'er heeft geen tijd om naar die bijeenkomsten te gaan, bovendien heeft hij niet de kennis van een p&o'er. Dus die blijft daar een beetje weg.'
'Met het geld van het ministerie trekken we nu het land in om een landelijk dekkend netwerk van Poortwachtercentra te maken. Dat verwachten de grote bedrijven ook. Als zij een probleem hebben in een distributiecentrum in Herenveen en een in Tiel, dan verwachten ze dat de werkwijze min of meer hetzelfde is, zodat ze niet in een lappendeken van allerlei soorten oplossingen terechtkomen. Waar we nu naar kijken, is welke beleidsvrijheid een regio moet hebben en wat je gecentraliseerd kunt aansturen. Een deel van het geld gebruiken we om een facilitypoint op te zetten waar websitebeheer, databasebeheer, contractbeheer allemaal gecentraliseerd worden. Want het is helemaal niet interessant om dat op 28 plekken op een verschillende manier te doen. En dat ontlast de regionale structuur weer, zodat daar echt gewerkt wordt aan het netwerken en de vraagstukken die daar spelen.
Krachtenbundeling
Lopen de belangen van grootbedrijf en mkb niet te ver uiteen om in één netwerk goed samen te kunnen werken? Helling meent van niet. 'Het belang van het kleinbedrijf is krachtenbundeling, waardoor zij kunnen meeliften op de expertise die de grote bedrijven inbrengen via hun p&o'ers. De landelijke bedrijven hebben al die kennis zelf wel en beschikken ook over eigen mobiliteitscentra. Maar als jij als bank een baliemedewerker hebt waarvan je zegt: Dat gaat niet meer, dan moet de oplossing toch gevonden worden in de regio waar hij woont en werkt. En de vaktechneut van de p&o-afdeling heeft in die regio helemaal niet zo veel contacten. Dus het grootbedrijf heeft behoefte om aan te takken op het netwerk van zo'n regio, vooral voor spoor 2.'
De ene hand wast dus de ander. 'De groten hebben de kleintjes nodig, de kleintjes kunnen niet zonder de groten. Voor de landelijke dekkingsgraad is het belangrijk dat de grote bedrijven ook garant gaan staan om de Poortwachtercentra van de grond te trekken. Want de groenteboer wil wel meedoen, maar pas op het moment dat hij een probleem heeft. Terwijl een groot bedrijf op jaarbasis per definitie dertig van dat soort gevallen heeft.'