De eens zo zekere oudedagsvoorziening staat onder druk. Het pensioenstelsel kraakt en vertoont meer dan een paar haarscheurtjes. Het fundament onder het heilige huisje is dringend aan vernieuwing toe.
Het begon al in 2009, direct na het uitbreken van de financiële crisis. In de kranten verscheen plotseling het zorgelijke bericht dat de dekkingsgraad van een groot aantal pensioenfondsen, waaronder pensioenreuzen als ABP en PGGM, daalde onder de vereiste 105 procent. Toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) luidde de noodklok. Maar wat betekent dit eigenlijk?
Om aan de verwachte uitkeringsverplichtingen in de toekomst te voldoen, moet een pensioenfonds voldoende vermogen én voldoende geschat rendement op beleggingen hebben. Om een buffer te hebben, stelt DNB dat deze verhouding minimaal 100 : 105 moet zijn, 5 procent extra dus. Maar door de crisis op de financiële markten zagen fondsen hun beleggingsresultaten opeens dusdanig kelderen dat de dekkingsgraad ver onder die 105 procent kwam. Bijkomend nadeel voor de fondsen is de lage rente op de geldmarkt; hierdoor zijn de buffers minder waard en moet een pensioenfonds nog meer vermogen hebben om die beloofde pensioenuitkering aan (toekomstige) gepensioneerden te kunnen garanderen.
Vertrouwen
Een lastig economisch verhaal wellicht, maar de gevolgen zijn voor iedereen helder. Meer dan de helft van de ongeveer zeshonderd Nederlandse pensioenfondsen staat er slecht voor. Zij kunnen op korte termijn op drie manieren hun financiële tekorten aanzuiveren: óf de premies verhogen, óf de pensioenuitkering en de opbouw van pensioen niet mee laten stijgen met de inflatie (indexatie), óf direct korten op de huidige pensioenuitkeringen (afstempelen).
Vooral dat laatste wekt maatschappelijke onrust, omdat dit direct duidelijk maakt dat het eens zo zekere pensioen opeens niet meer zo zeker blijkt te zijn. Vandaar dat de kranten deze zomer bol stonden van het voornemen van DNB om veertien ‘probleemfondsen' een kortingsmaatregel op te leggen per 1 januari 2011. Dat voornemen is inmiddels van de baan, maar het probleem is niet weg. De vrees bestaat dat tientallen fondsen, waaronder ambtenarenfonds ABP en metaalfondsen PMT en PME, niet op tijd hun herstelplan op orde hebben en op 1 april 2012 alsnog gedwongen worden te korten op de rechten van werknemers en de uitkeringen aan gepensioneerden. Reden voor de drie grote pensioenkoepels - Vereniging voor Bedrijfstakpensioenfondsen, Unie van Beroepspensioenfondsen en Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen - om gezamenlijk bij de politiek te lobbyen om deze harde ingrepen van DNB te voorkomen.
Pensioenkenner en vicepresident van Capgemini Consulting Marien van Riessen sluit zich bij de oproep van de pensioenkoepels aan. ‘Nu wordt de dekkingsgraad als maatstaf gehanteerd. Maar dat is geen indicatie voor de veerkracht, het herstellend vermogen op langere termijn. Het is beter om op basis daarvan te handelen. Niet meteen meedeinen met de beurs en bij veranderende beleggingsresultaten direct premies en uitkeringen aanpassen. Het lijkt politiek correct om direct te schermen met maatregelen, maar het is maar de vraag of dit leidt tot meer vertrouwen. En uiteindelijk is het aan de overheid en verzekeraars om voor dit vertrouwen te zorgen.'
Omdraaien
Meevaller is dat minister Henk Kamp van Sociale Zaken en DNB begin november de pensioenfondsen die in financiële problemen verkeren voorlopig niet verplichten om hun premies te verhogen. Sommige fondsen hing een premiestijging van 20 tot 30 procent boven het hoofd. Een schrikbeeld van zowel werkgevers als werknemers. Niet voor niets is in het pensioenakkoord dat de sociale partners in juni van dit jaar sloten afgesproken om de premies niet verder te laten oplopen, wat het versoberen van de pensioenen onvermijdelijk maakt.
De AWVN laat op haar website weten blij te zijn met dit besluit van Kamp om de pensioenpremies niet fors te laten verhogen. De werkgeversorganisatie pleit in haar commentaar echter tegelijkertijd voor een ‘fundamentele wijziging in het denken over pensioenen'. Het systeem werkt nu zo dat om een vastgestelde pensioenuitkering te garanderen, bij tegenvallende beleggingsresultaten de premie moet worden verhoogd. De AWVN zou dit principe graag omdraaien: ‘de prijs die werkgevers en werknemers samen wensen te betalen, moet bepalend zijn voor de pensioenuitkomst.' Oftewel: een vaste premie en een flexibele pensioenuitkering. Wat de 65-jarige pensionado daadwerkelijk ontvangt op zijn oude dag, is dan afhankelijk van de beleggingsresultaten. De werknemer loopt daarbij dus risico, zeker nu we weten hoe grillig de beurs kan zijn.
Risicospreiding
Toch is dit principe van een ‘vaste premie en variabele opbouw/uitkering' in opkomst, ook binnen de collectieve pensioenregelingen. Van Riessen constateert een duidelijke verschuiving van de defined benefit-regeling (DB) naar de defined contribution-vormen (DC). ‘Bij DB ligt de eindsom vast, waardoor de werknemer het minste risico loopt. DC is echter vriendelijker voor de werkgever, die is gebaat bij een stabiele pensioenbijdrage.' Een combinatie is volgens Van Riessen heel gebruikelijk en voor alle partijen een goede optie. Naast de vaste AOW (eerste pijler) bestaat dan een gedeelte van het verplichte collectieve gedeelte van het pensioen uit een DB-regeling, en vanaf een bepaald niveau geldt dan een DC-regeling. Hierdoor wordt het risico voor werkgevers en werknemers gespreid.
Dat de uiteindelijke pensioenuitkering op je 65ste dan niet op 70 procent van het loon uitkomt, is volgens Van Riessen geen probleem. ‘We moeten af van het idee dat dat per se moet. Misschien vindt iemand het helemaal niet erg om na zijn 65ste minder inkomen te hebben. Misschien geeft hij ook minder uit en maakt hij minder kosten. Die 70 procent van het eindloon is gebaseerd op het uitgangspunt dat iedereen veertig jaar bij dezelfde baas werkt. Dat is allang niet meer zo. Werknemers hebben tegenwoordig tal van werkgevers tussen hun 25ste en 65ste.'
Keuzevrijheid
Van Riessen pleit zelfs voor een pensioensysteem met een levensloopachtig karakter dat meer aansluit bij Het nieuwe werken. ‘Een moderne werknemer wil bijvoorbeeld vijf jaar werken, dan een jaar studeren, enkele jaren in loondienst, daarna wellicht een sabbatical nemen, om vervolgens een paar jaar als zzp'er aan de slag te gaan. Waarom niet faciliteren dat mensen op die manier in en uit het arbeidsproces stappen? Maar hiervoor zijn op dit moment geen pensioenproducten beschikbaar.' Hij zou dat graag als standaard zien. ‘Iedereen een eigen potje, op te bouwen door een percentage van het salaris hiervoor in te houden, waaruit studie wordt bekostigd, mobiliteitsvergoeding gehaald en pensioen gefinancierd.' Uiteraard moeten er wettelijke voorschriften komen, zoals een bepaald minimum aan pensioen dat mensen moeten opsparen, maar het idee is dat mensen meer keuzevrijheid krijgen. ‘Voor de zorg bestaat ook een basispakket, dat mensen naar believen kunnen uitbreiden. Waarom ook niet zoiets voor een basispensioen?'
Probleem van zo'n basisvoorziening met extra's naar keuze is dat dit pensioenproducten weer complex kan maken, onderkent ook hij. ‘In principe geldt: hoe flexibeler het systeem, hoe hoger de (administratie)kosten.'
‘Die kostenkant van de pensioenen maakt pensioenen nu al heel duur', zegt Van Riessen, die niet begrijpt dat de discussie zich op dit moment uitsluitend toespitst op de premies en de hoogte van de uitkeringen. ‘Er is in het recente verleden veel ophef geweest over de woekerpolissen die commerciële verzekeraars op individuele polissen opstreken. Dat ging dan feitelijk om 10 procent administratiekosten, vergelijkbaar met de kosten die voor de huidige collectieve (DB- en DC-) regelingen worden gemaakt. Het verbaast mij dat er nu geen maatschappelijke onrust is over de hoge kosten van collectieve pensioenregelingen. Waarom is er niet meer aandacht voor het terugdringen van deze kosten?'
Individualisering
De collectieve regelingen zijn zo duur en complex geworden dat er blijkbaar behoefte is aan meer individuele, eenvoudigere en dus goedkopere regelingen. Niet alleen hierdoor komt de collectiviteit steeds meer onder druk te staan. De komende decennia groeit het aantal gepensioneerden in ons land van twee naar vier miljoen, waarmee de last op de schouders van de krimpende beroepsbevolking groter en groter wordt. De solidariteit tussen de beide generaties wordt daarmee volgens pensioenexperts ernstig op de proef gesteld.
Van de komende generatie wordt gedacht dat deze meer individueel gericht zal zijn. Pensioenverzekeraars springen daar gretig op in door beschikbare premiesysteem (bp)-producten (individuele DC-regelingen) aan te bieden. Dit uit de Angelsaksische economieën overgewaaide model krijgt ook in Nederland steeds meer voet aan de grond. En de werkgevers zien dat graag. Zij betalen voor een bp-regeling namelijk een vast percentage van het salaris voor de pensioenopbouw van de werknemer. Die medewerker kiest vervolgens zelf waar hij dit geld onderbrengt. Het risico ligt bij de individuele werknemer, want de hoogte van de pensioenuitkering is volledig afhankelijk van de beleggingsopbrengsten waarmee de werknemer op de pensioendatum zijn pensioen ‘koopt'. Deze individualisering zet door.
Wetsvoorstel
Als het wetsvoorstel rondom de premiepensioeninstelling (PPI) dat nu in de Eerste Kamer ligt erdoor komt, opent dat de markt voor meer individuele pensioen-spaarregelingen. De teneur is overal: een vaststaande premie en de hoogte van het uiteindelijke pensioen is afhankelijk van het beleggingsresultaat. Gevaar is dat het risico hierbij volledig bij de werknemer ligt. Voordeel is dat een PPI goedkoper en eenvoudiger is dan de bestaande (collectieve) pensioenregelingen. En dus kunnen individuele pensioenproducten de komende jaren de markt weleens gaan beheersen. Delta Lloyd en BinckBank hebben onlangs in het Financieele Dagblad in elk geval laten weten de markt met een PPI als ‘prijsvechter' te gaan betreden.
kader
Vanaf 4 januari: mijnpensioenoverzicht.nl
Tweederde van de werknemers in Nederland is niet ‘pensioenbewust', zo blijkt uit onderzoek van CentiQ, een samenwerkingsverband van ruim veertig partijen in de financiële sector, de overheid, consumentenorganisaties en de wetenschap. Slechts 12 procent is op de hoogte van het eigen pensioeninkomen, weet of dit voldoende is, en wat de mogelijkheden zijn om extra pensioen op te bouwen.
Om werknemers meer inzicht te geven in hun pensioenopbouw, krijgt iedereen jaarlijks een Uniform Pensioenoverzicht (UPO). In de Pensioenwet zijn de verantwoordelijkheden van de werkgever rondom de communicatie vastgelegd. Daarnaast is Stichting Pensioenregister door Nederlandse pensioenfondsen, pensioenverzekeraars en de Sociale Verzekeringsbank in het leven geroepen. Die stichting wil dat vanaf 4 januari 2011 iedereen op www.mijnpensioenoverzicht.nl kan checken wat zijn of haar opgebouwde AOW-rechten en inmiddels opgebouwde en op te bouwen pensioenaanspraken bij pensioenfondsen en -verzekeraars zijn.