Een winkelketen denkt slimmer te zijn dan de Flexwet, maar de kantonrechter haalt een streep door de rekening.
Een schoenwinkel neemt met ingang van 1 januari 2008 een oproepkracht aan. In de overeenkomst staat dat de werkgever niet verplicht is haar op te roepen, en dat de medewerkster niet verplicht is aan elke oproep tot werken gehoor te geven. Kort gezegd kan zij geen aanspraak maken op recht op werk.
Na een paar maanden wordt haar contract gewijzigd in een contract voor bepaalde tijd. In 2009 en 2010 wordt het contract stilzwijgend verlengd en volgens de werkgever is er daarom sprake van drie tijdelijke contracten. Maar als de medewerkster met ingang van 1 januari 2011 wordt ontslagen, blijkt het UWV er heel anders over te denken. Door de medewerkster na de wijziging van het contract elke week in te roosteren, is er wel degelijk een keten van arbeidsovereenkomsten ontstaan. De medewerkster heeft daarom volgens het UWV een contract voor onbepaalde tijd, en daarom kan ze fluiten naar een WW-uitkering.
Van haar werkgever heeft ze echter sinds 1 januari van dit jaar geen cent meer ontvangen. Ze wendt zich tot de kantonrechter. Die geeft het UWV gelijk. Het oproepcontract dat in december 2007 is gesloten, is volgens de kantonrechter een voorovereenkomst. In de periode van 1 januari tot 1 maart werd de medewerkster wekelijks ingeroosterd. Hierdoor is er wekelijks een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand gekomen, oordeelt de kantonrechter. Dit betekent dat er al na de vierde week sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werkgever moet het loon betalen van tot dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd.
LJN: BP8248, Voorzieningenrechter Rechtbank Arnhem