Organisaties die een rol kunnen spelen bij de bestrijding van arbeidsuitbuiting doen hun werk niet goed. Gemeenten, de belastingdienst en de arbeidsinspectie pikken signalen vaak niet op en delen relevante informatie niet.
Dat concludeert de juriste Conny Rijken van de Universiteit van Tilburg in haar onderzoek naar arbeidsuitbuiting in vijf Europese landen. Volgens Rijken is er te weinig aandacht voor mensenhandel en onbekendheid met het strafrecht en slachtofferbescherming. Internationale afspraken over de bestrijding van arbeidsuitbuiting zijn geregeld in het Palermo Protocol betreffende mensenhandel, maar de bestrijding komt nog onvoldoende van de grond.
Kwetsbaar
De juriste stelt dat de betrokken instanties nog onvoldoende samenwerken en hun rol vaak niet duidelijk is. De economische ongelijkheid en de beperkte immigratiemogelijkheden voor met name laaggeschoold niet-EU personeel werkt illegale arbeidsmigratie in de hand en maakt migranten kwetsbaar voor uitbuiting. 'Zij zijn veelal niet bekend met de maatschappij en voor huisvesting, bankzaken afhankelijk van hun werkgever. Dit hebben we in Nederland bijvoorbeeld gezien bij de Indonesische kroepoekbakkers en de Chinese restaurantwerkers.'
Geen aangifte
Veel slachtoffers zien niet in dat ze misbruikt worden en verstoken blijven van een minimumloon en sociale voorzieningen. Zij willen hun werk behouden en doen daarom geen aangifte. Slachtofferhulp is vooral ingericht op vrouwelijke slachtoffers van seksueel misbruik en niet op mannen die als arbeidskracht worden misbruikt.
Betere informatie
Volgens Rijken moet de vervolging van slechte werkgevers minder afhankelijk worden gemaakt van getuigenissen van migranten en meer van andere indicatoren, zoals gegevens van de belastingdienst, gemeente, de arbeidsinspectie en de kamer van koophandel. Daarnaast zouden arbeidsmigranten beter geïnformeerd moeten worden over hun rechtspositie en de samenleving waarin zij terecht zijn gekomen.